vrijdag 29 maart 2019

Held






















"Oh, ik heb gisteren trouwens ook nog een oud vrouwtje gered." Merkt student D terloops op.Met die opmerking heeft hij gelijk mijn onverdeelde aandacht.
Ik: "Een oud vrouwtje gered? Hoe ging dat dan?"
D: "Ja, nou, je hoort toch wel eens dat bejaarden in hun auto in slaap vallen en dan dood gaan?"
Ik: "Eh... nee, dat hoor ik hier eerlijk gezegd voor het eerst."
D: "Nou, ik liep hier gisteren naar school en ik had nogal haast, want ik wilde niet te laat in de les komen. En toen liep ik dus langs een auto waar een oud vrouwtje in zat te slapen."
Ik: "Ik zie nooit auto's met slapende vrouwtjes."
D: "Ik wel. Dus ik dacht nog wel even: 'moet ik nou ook iets doen?' Maar ik liep toch door. Maar hoe verder ik liep, hoe schuldiger ik me voelde. Dus toen heb ik me omgedraaid en ben ik terug gerend. Want ja, ik zag de krantenkop al voor me..."
Ik: "Jahahaha! Ik ook: 'Pabo student negeert stervend vrouwtje in auto"
D: "Toen ik op het raampje klopte, werd ze gelukkig wel wakker. Ze vertelde dat ze een kruiswoordpuzzel had zitten maken. Ze had ook zo'n boekje op schoot liggen. Maar ze was wel blij dat ik haar wakker had gemaakt."


(Gepaste stilte)


D: "Toen ze haar raampje open deed kwam er ook zo'n hittegolf naar buiten"
Ik: "Jij hebt wel een spannend leven, D.", zeg ik bewonderend.
D: "Ja, ik heb ook een keer een man dood zien gaan tijdens een festival. Ik vond het ook al zo raar dat hij zo voorover met zijn voorhoofd tegen zo'n mega grote box stond te leunen. Want daar komt best veel herrie uit. Toen de muziek stopte, zakte hij zo, boem, naar beneden. Bleek dat hij dood tegen die box gestaan had."
 

Even voor het beeld: D. vertelt dit met zijn zachte stem heel bedachtzaam, terwijl hij intussen een bordje eten naar binnen schoffelt.

Ik vond 'm toch al leuk. Maar vanaf vandaag is het officieel: D is mijn favoriete student.

dinsdag 7 juli 2015

Het belang van erfgoed volgens S.


Als erfgoedspecialist praat ik regelmatig met andere specialisten over erfgoededucatie: met collega's, met leerkrachten in het basisonderwijs, met Interne Cultuurcoördinatoren, met docenten in het voortgezet onderwijs en met ambtenaren. In die gesprekken vallen interessante termen als 'onderzoekend leren', 'vakoverstijgend werken' en '21st century skills'. 

Ik praat dus zo'n beetje met iedereen over erfgoededucatie. Behalve met de doelgroep zelf. En dat terwijl ik die nota bene gewoon thuis op de bank heb zitten. Pas vorig jaar kwam ik tot het inzicht dat ik op dat gebied een paar mooie kansen had laten liggen. 

Dat kwam zo.

Vorig jaar werd in de klas van S. uitgebreid aandacht besteed aan het verhaal van Anne Frank. Het thema hield haar nogal bezig en leidde hier thuis tot een interessant gesprek over erfgoed. Dat gesprek verliep ongeveer als volgt:


Het Anne Frank Huis. Is dat oud?
Dat weet ik niet zo precies. Ouder dan ons huis, in ieder geval. 
Als ons huis kapot gaat, wordt het dan gerepareerd?
Echt helemáál kapot, bedoel je? Nee, ik denk niet dat ze dat dan restaureren. Dan zullen ze er wel een nieuw huis voor in de plaats bouwen, vermoed ik.
Als het Anne Frank Huis kapot gaat, wordt dat dan wel gerepareerd?
Dat denk ik wel, ja. 
Ik denk het ook.
Waarom zouden ze dat doen, denk je?
Omdat 't daar gebeurd is.
Bedoel je dat het een plek is waar Anne Frank gewoond heeft? En omdat er nu nog mensen komen om zich te herinneren wat er met Anne Frank gebeurd is, om dat te herdenken? Omdat 't een soort monument is?
Ja. Daarom.

Ok. En stel dat nu dat er zoveel mensen over de trap van het Anne Frank Huis gelopen hebben, dat die stuk gaat. Dat ze de versleten planken er uit halen en er nieuwe weer in zetten. Is het dan toch nog steeds de trap waar Anne Frank op gelopen heeft?
Nee. Maar dat kan ook niet, want ik ben ook een ander kind.
Eh... nu snap ik niet helemaal wat je bedoelt.
Als je in het Anne Frank Huis bent, is het nooit helemaal hetzelfde. Want jij bent niet hetzelfde kind als Anne. En het is een andere dag. En een andere tijd. Niets is meer hetzelfde.
Dus waarom zouden we het dan willen bewaren, als het toch niet meer hetzelfde is?
Omdat het je fantasie helpt.
Bedoel je dat je het verhaal van Anne Frank wel kunt lezen, maar dat je, als je zelf in het Anne Frank Huis staat, het gemakkelijker is om je dat verhaal voor te stellen? 
Ja. Het helpt je fantasie. Maar je weet nooit hoe het écht was.

(we praten verder over het Anne Frank Huis. S concludeert:) 

Dat huis is een monument omdat Anne Frank daar dat dagboek schreef.
Dus... als Anne Frank geen dagboeken had geschreven, of als ze nooit waren uitgegeven, dan hadden wij dat huis dus ook niet zo belangrijk gevonden.
Nee. Eigenlijk heeft Otto Frank er een monument van gemaakt. Omdat hij die dagboeken bewaarde. 

(We praten nog wat over de vraag hoe 'echt' iets moet zijn om je fantasie te helpen. Ik vraag:)


Maar wat is dan 'echter': een 17e eeuws takelblok dat vroeger in een VOC schip gebruikt is, of een replica, je weet wel, zo'n heel groot nagebouwd VOC schip?

Dat maakt niet uit, want dat oude takelblok en dat nieuwe schip helpen allebei je fantasie.



(Ik kan het niet laten en dram toch nog even door over dingen die 'echt' oud zijn, waarop S. opmerkt:)

Dat mammoetbot dat jij hebt, bijvoorbeeld. Hoe moet ik nou weten hoe oud dat is? Of waar dat zat in zo'n mammoet? Dat wéét ik toch helemaal niet als ik dat ding bekijk?

Bedoel je dat zo'n bot pas een interessant ding wordt als je er een verhaal bij hoort?'

Ja. Want dán kan ik fantaseren over hoe oud het is en waar het in de mammoet zat.'

Snappen jullie een beetje waar ik met dit hele verhaal heen wil? 

Ze bestaan; kinderen die heel goed begrijpen dat erfgoed geen middel is om terug te gaan in de geschiedenis, maar dat je ze in kunt zetten als middel om je verbeelding te prikkelen.

Ze bestaan; kinderen die begrijpen dat we erfgoed (gebouwen, voorwerpen, tradities, liedjes...) willen bewaren omdat ze ons stuk voor stuk herinneren aan een verhaal dat we de moeite waard vinden om te bewaren en verder te vertellen. Denk aan het Anne Frank Huis.

Ze bestaan; kinderen die beseffen dat het omgekeerde ook waar is. Dat erfgoed bestaat bij gratie van het verhaal dat er bij hoort. Anders gezegd: dat het het verhaal is dat het voorwerp écht interessant maakt. Denk aan dat mammoetbot.

Ze bestaan; kinderen die op hun eigen manier prima onder woorden kunnen brengen dat  werken met voorwerpen en onderzoekend leren je verbeelding prikkelt.

Echt. Ze bestaan. Ik ken er minimaal één. Van dichtbij. Valt prima mee te praten. Ook over erfgoedonderwijs. 
Waarom doen we dat als erfgoedspecialisten  eigenlijk niet vaker?



afbeeldingen:
afb. 1: 1948. Goshen College, Indiana. Spaanse les. Spanish class. Miss Lois Gunden teaching, Goshen College. Mennonite Church USA Archives - Goshen. Goshen, Indiana. Bron: Flickr, The Commons
afb. 2: Massimo Catarinella, Anne Frank Huis. Bron: Wikimedia Commons
afb. 3: ADZee, Batavia 02. Bron: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Batavia_02.JPG#/media/File:Batavia_02.JPG 
afb. 4: Afbeelding van een mammoet uit T.H. Huxley, Physiography, London 1884. Bron: Flickr, The Commons.

maandag 16 maart 2015

Hiëronymusje spelen


Kater B. wil naar buiten. Als ik hem bij wijze van groet even over zijn rug aai, voel ik een rare harde plek op zijn schouder. "Wacht even, kerel", zeg ik, terwijl ik naast 'm ga zitten. Ik woel wat rond in zijn vacht en vind er tot mijn schrik een soort afgebroken satéprikker, die diep in zijn vel steekt. Met enige moeite trek ik het ding er uit. De punt is rood van het bloed.

Kater B., die normaal gesproken tamelijk agressief wordt als ik 'm te na kom, zit gedurende de operatie stoïcijns voor zich uit te staren. "Moet je kijken!", zeg ik geschrokken terwijl ik hem de bebloede prikker voorhoud. Hij kijkt even ongeïnteresseerd omhoog en sloft dan weg. Hij heeft nog een hoop te doen vandaag.

De satéprikker blijkt een doorn te zijn. Ik heb mijn mini-leeuw verlost van een doorn. Dat maakt van mij dus een soort mini Sint Hieronymus.

Voor wie niet zo thuis is in de wondere wereld der heiligen: Hiëronymus van Stridon (ca. 347- 420) is één van de vier grote kerkvaders. Hij schreef een bewerking van de bijbel in alledaags Latijn. Die bewerking, de Vulgaat, werd in de 16e eeuw door de kerk als de enige echte officiële Latijnse versie van de bijbel geaccepteerd. Geen kleine jongen dus, die Hieronymus. Geen wonder dat er zoveel afbeeldingen van hem bestaan.1) In veel daarvan wordt hij heel herkenbaar, want voorzien van een aantal vaste attributen, afgebeeld.

Neem nou de prenten hieronder. De eerste is van Dürer, de tweede van Rembrandt. Ook bepaald geen kleine jongens. In de prent van Dürer is Hiëronymus het onderwerp. In die van Rembrandt lijkt de hoofdrol weggelegd voor de knotwilg. Maar mij gaat het dus om die Hiëronymus. Kijk even naar wat de heilige in beide prenten om zich heen heeft liggen.


Albrecht Dürer, Hiëronymus bij een knotwilg, 1512, droge naald ets op papier, 21 x 17.9 cm
Rembrandt van Rijn, Hiëronymus bij de knotwilg, 1648































































Zie je de overeenkomsten? Wat die knotwilg er moet, is mij eerlijk gezegd niet helemaal duidelijk. Maar de rest, dat bergachtige landschap, de lessenaar met de boeken, de kardinaalshoed, dat beest? Een goede verstaander, en dat waren er destijds veel, had gelijk door om wie het hier ging. Want de genoemde elementen verwijzen allemaal naar het levensverhaal van de heilige: de woestijn waarin Hiëronymus als kluizenaar leefde, zijn intellectuele werk (die Vulgaat, weet je nog?), de kerkelijke functie die Hiëronymus volgens de overlevering gehad zou hebben...

Dat beest vind ik zelf het interessantst. Dat is namelijk een leeuw. Ik zeg het maar even. Want laten we eerlijk zijn, we snappen wat de bedoeling is. Maar om nou te zeggen een overtuigende leeuw? Eh... Nee. Aan Dürer en Rembrandt heeft het niet gelegen. Die hebben echt hun best gedaan. Maar ze hadden op het moment dat ze hun prenten maakten gewoon nog nooit een leeuw in het echt gezien. Ze moesten het doen met plaatjes en beschrijvingen. Vandaar.
 
Maar goed, die leeuw dus. Die staat óók op al die afbeeldingen omdat er al eeuwenlang een  mooi verhaal verteld werd over Hiëronymus en een leeuw. Dat ging ongeveer zo:

Op een avond wandelt er een leeuw het klooster van Hiëronymus binnen. De meeste broeders slaan begrijpelijkerwijs op de vlucht, maar zo niet onze held Hiëronymus. Die begroet het beest alsof het een gast is. Hij ziet dat het dier mank loopt en ontdekt dat het een doorn in zijn poot heeft zitten. Hij pleegt eerste hulp, trekt de doorn uit de poot en verzorgt de wond. De dankbare leeuw volgt Hiëronymus vanaf dat moment als een hondje door het hele klooster. De andere broeders worden daar nogal zenuwachtig van. Daarom wordt de leeuw aangesteld als herdershond. Vanaf nu moet hij dagelijks de ezel begeleiden die brandhout uit het bos naar het klooster brengt. Dat scheelt de broeders werk en bovendien zijn ze dan overdag mooi van die leeuw af. 

Op een dag, wanneer de ezel ontzettend saaie dingen aan het doen is, valt de leeuw in slaap. Een stel kooplui dat net langs komt met hun kamelen, ziet de ezel in z'n eentje rondscharrelen en neemt hem mee. Wanneer de leeuw wakker wordt, ontdekt hij dat zijn ezel zoek is. Luid brullend rent hij rond om het beest te zoeken. Tenslotte meldt hij zich, ver na zijn gebruikelijke tijd, bij het klooster. Zonder ezel. Dus daar denken ze gelijk het slechtste. Stoute leeuw. Beetje de brandhout-ezel opeten. Je kon er op wachten. Voor straf moet de leeuw het werk van de ezel overnemen.

Nou wil het geval dat de kooplieden die de ezel meegenomen hebben, een tijdje later weer langs dezelfde weg terug komen. Ze hebben goede zaken gedaan. Hun kamelen zijn zwaar beladen met olie en zo meer. De leeuw, die treurig met z'n brandhout loopt te zeulen, ziet de karavaan langs trekken. Met voorop een hem wel héél bekende ezel. Brullend van blijdschap rent de leeuw naar zijn ezel. De kooplieden vluchten in paniek en de leeuw brengt zijn ezel én de zwaar beladen kamelen triomfantelijk naar het klooster. De kooplieden melden zich wat later. En beloven beterschap. Ze zullen nooit meer onbeheerd achtergelaten ezels meenemen en beloven het klooster ieder jaar een goede fles olie te brengen. Eind goed, al goed.

Met die leeuwen van Dürer en Rembrandt kwam het trouwens ook goed. Héél goed. Een paar jaar nadat ze hun prent van Hiëronymus gemaakt hadden, zagen ze voor het eerst een echte leeuw. Dürer in 1521 in de dierentuin van Gent, en Rembrandt in 1652 in Amsterdam. Ze grepen de kans om de leeuw te bestuderen met beide handen aan en tekenden en schetsten dat het een aard had. En zo ontstonden deze twee wonderschone leeuwen.



Albrecht Dürer, leeuw, 1521


Rembrandt van Rijn, leeuw, 1650-1652

En mijn eigen mini-leeuw? Die heeft dus helemaal niets geleerd van zijn avontuur. Ik zag 'm vanavond nog zitten. In de stadse woestenij. Midden tussen de doornstruiken. Met een beetje pech mag ik binnenkort nog een keer Hiëronymusje spelen.




 noten:
  1. Het Rockoxhuis in Antwerpen wijdde in 2014 een tentoonstelling aan dit onderwerp. Bij de tentoonstelling werd een catalogus uitgegeven, die nog steeds online te vinden is: http://www.kmska.be/export/sites/kmska/content/Documents/Tentoonstellingen/HIERONYMUS_NL.pdf (geraadpleegd 09/03/2015)

 afbeeldingen:

  1.  doorn, foto auteur.
  2. Albrecht Dürer, Hiëronymus bij een knotwilg, 1512, droge naald ets op papier, 210 x 179 mm, Metropolitan Musuem of Art, New York.. Bron afbeelding: http://www.metmuseum.org/collection/the-collection-online/search/336230, geraadpleegd 16 maart 2015.
  3. Rembrandt van Rijn, Hiëronymus bij de knotwilg, 1648, ets en droge naald, 178 x 132 mm, Rijksmuseum, Amsterdam. Bron afbeelding: https://www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/RP-P-1962-51, geraadpleegd 16 maart 2015.
  4. Albrecht Dürer, Liggende leeuw, 1521, zilverstift op wit gegrond papier, 135 x 196 mm, Grafische Sammlung Albertina, Wenen. Bron afbeelding: http://sammlungenonline.albertina.at/#b862dae8-4d7b-444b-88f1-07e1480a4fb9, geraadpleegd 16 maart 2015.
  5. Rembrandt van Rijn, Leeuw,  1650-1652, inkt op papier, 138 x 204 mm, Louvre, Parijs. Bron afbeelding: https://en.wikipedia.org/wiki/File:Rembrandt-A-Lion-Lying-Down-207063_detail.jpg, geraadpleegd 16 maart 2015.
  6. stadsleeuw, foto auteur.



woensdag 25 februari 2015

Smakhak


Er lopen wonderlijke dieren rond in het Groningerland.1) Neem nou de Smakhak. Die wordt zelfs bezongen door de Bond tegen Harries

Ik zou je hier graag vertellen hoe zo'n Smakhak er uit ziet, maar ik heb er nog nooit één gezien en beschrijvingen van het beest laten nogal te wensen over. Ooggetuigen komen niet veel verder dan "een lang wit dier" of "een soort van hond". 

Toch is er wel het één en ander bekend over dit wonderlijke wezen. Zo schijn je je als potentieel Smakhakspotter het best te kunnen opstellen langs de Delleweg tussen Stedum en Winneweer. Ter hoogte van de Stedumer richtplaats, om precies te zijn. Neem een nachtkijker mee, want de Smakhak opereert bij voorkeur in het donker.


Wie een Smakhak wil betrappen, moet 's nachts in z'n eentje over de Delleweg gaan patrouilleren. De Smakhak is namelijk geïnteresseerd in eenzame wandelaars. Als je de ooggetuigenverslagen mag geloven, schiet hij vanuit het niets plotseling vlak voor of achter je langs over de weg. Je ziet 'm nauwelijks, maar je hoort 'm heel duidelijk. Want zijn poten maken een smakkend, ploffend geluid.

Om eerlijk te zijn, vond ik het altijd een nogal ongeloofwaardig verhaal, dat van die Smakhak. Tot ik afgelopen zomer tijdens een fietstocht langs het Reitdiep dit vreemde dier op de weg vond. Ik heb het goed bekeken. En ben tot de conclusie gekomen dat het een verdwaalde, aangereden Smakhak is. 

Naar aanleiding van deze vondst heb ik inmiddels ook een interessante hypothese ontwikkeld. Die gaat als volgt: een Smakhak verkleurt groen wanneer hij aan daglicht blootgesteld wordt. Ik zoek nog vrijwilligers die veldonderzoek willen gaan doen om deze hypothese te testen. Gegadigden kunnen zich bij mij melden via het reactieformulier onder aan dit bericht.


noten
1. Voor meer verhalen over wonderlijke fauna in het Groningerland, zie o.a.: J.A. Fijn van Draat (red.), E.J. Huizenga-Onnekes, Heksen- en Duivelsverhalen uit Groningerland, Winschoten, s.d. pp. 254-265.

afbeelding: foto gemaakt door auteur.

dinsdag 24 februari 2015

Eksters en duiven

Ze zijn er weer. De eksters en de houtduiven. Eerstgenoemden zijn druk bezig een nieuw nest te bouwen in één van de platanen voor ons huis. Laatstgenoemden kijken vooral toe. Ieder jaar opnieuw moet ik glimlachen als ik ze zo met z'n vieren bezig zie. Want ieder jaar opnieuw doen ze me denken aan het verhaal van de ekster die de duif leerde hoe hij een nest moet bouwen. Ik schreef er al eens over in een eerder bericht. Maar vertelde toen niet het hele verhaal. Bij deze doe ik dat alsnog. Maar dan wel in mijn eigen versie.

Komt 'ie.

 
Eksters bouwen prachtige nesten. Groot en stevig. Alle vogels praten daar met bewondering over. Ook de houtduif die, als het om nesten bouwen gaat, gerust een prutser genoemd mag worden. Dat weet hij zelf ook. Daarom besluit hij om de ekster te gaan vragen of die hem wil leren om ook zo’n mooi nest te bouwen.



Op een dag trekt de duif de stoute schoenen aan. Hij vliegt naar een boom waar een ekster druk bezig is zijn nest te maken. Een beetje verlegen kijkt hij vanaf een lage tak toe hoe de ekster en zijn vrouw druk heen en weer vliegen met bouwmateriaal. Wanneer het ekstermannetje even pauze neemt om te schelden tegen een kraai die in de buurt rondhangt, ziet hij ook de duif zitten. “En wat moet jij?” schreeuwt hij, nog helemaal  opgewonden van zijn ruzie met de kraai. De duif schraapt zijn keel. “Ik kom kijken hoe jij een nest bouwt. Want daar ben ik zelf niet zo goed in”, zegt hij. De ekster kijkt hem strak aan. “Afkijken?” vraag hij achterdochtig. “Eh, nee meneer”, zegt de duif beleefd.  “Ik zie het meer als leren”.  De ekster houdt zijn kop scheef en hipt handig door de kruin van de boom naar beneden tot hij vlak boven de duif zit. De duif kijkt verlegen voor zich uit. “Voor leren moet je betalen”, zegt de ekster. De duif weet niet zo goed wat hij daarop moet zeggen. “Kijk,” gaat de ekster verder “ik wil jij best leren hoe je een fatsoenlijk nest moet bouwen. Maar daar wil ik wel iets voor terug”. Hij laat een veelbetekenende stilte vallen. De duif denkt hard na. De ekster hipt intussen van zijn ene voet op zijn andere. Het duurt hem allemaal te lang. “De rode koe”, zegt hij ongeduldig. “Die mooie rode koe van jou. Die wil ik”. De duif schrikt. Hij is nogal gehecht aan zijn rode koe. “Ja. Graag of traag”, zegt de ekster en hij doet alsof hij weg wil vliegen. “Goed, de koe”, roept de duif, bang dat hij geen tweede kans krijgt. De ekster lacht tevreden. “Kom maar mee”, roept hij. Handig vliegt hij tussen de takken door naar zijn nest. De duif volgt hem, klapperend met zijn vleugels.

Nog vóór de duif goed en wel geland is, begint de ekster al aan zijn uitleg. “Wat héél belangrijk is, daar moet je echt goed op letten, is dat je een mooie, gelijkmatige vork in de boom zoekt. Daarmee bedoel ik dat je een kruising van drie takken…”
“Ja. Dat snap ik”, zegt de duif. Hij wil dat de ekster graag laten zien dat hij een snelle leerling is.
De ekster kijkt even kort opzij. “Juist. Dus. Een vork. En dan ga je op zoek naar stevige takken. Nog niet van die hele lange, maar ze moeten….”
“Een beetje kort, dus”, onderbreekt de duif hem ijverig.
“Ja. Kort maar stevig. En ze moeten natuurlijk langer zijn dan de ruimte tussen de takken van de vork want je wilt niet…”
“Nee. Dat wil je niet”, zegt de duif.
“Wat niet?” vraag de ekster kribbig. Hij houdt er niet van om onderbroken te worden wanneer hij net lekker aan het vertellen is.
“Nou…”, zegt de duif wat ongemakkelijk “je wilt niet dat je eieren er doorheen zakken”.
“...of dat je nest uit de boom dondert”, vult de ekster aan. “Precies. En daarom maak je dus eerst een stevige bodem. Als het ware. En daarna ga met verder met de wanden. Daarvoor kies je langere en iets dunnere takken die je steeds zó neerlegt dat ze…”
“Ja. Ik snap het”, zegt de duif, aangestoken door het enthousiaste geratel van ekster.
“... dat ze mooi op de hoekverbindingen van de eerder neergelegde takken drukken”. 
 Geïrriteerd kijkt de ekster opzij naar de duif. Die knikt heftig, maar houdt zich verder stil. 

De ekster haalt diep adem. “Kijk. En dan is het vervolgens de kunst om precies de goede takken te vinden. Takken die niet te lang zijn, maar ook niet te kort. Daar moet je echt oog voor hebben, weet je.  En onderin moet je natuurlijk ruimte over laten zodat…”
“Ja. Ja. Ik snap het”, zegt de duif. De ekster gaat wat harder praten. “…ZODAT je een ingang hebt om...”
“Nee. Helemaal duidelijk”, zegt de duif, ijverig knikkend.
“Zeg. Zal ik het nog uitleggen of weet je ’t allemaal zelf al?” vraagt de ekster pinnig. 
“Nee, ga door”, moedigt de duif aan.
“Juist. Dus. Als je eenmaal een stevige bodem, redelijke wanden en een goede ingang hebt, kun je daarna wel  wat luchtiger…”
“Ja. Nee. Ik snap het. Ga maar verder”, roept de duif. “Ik zie het helemaal voor me. Dit wordt een makkie. Kan ik. Appeltje eitje. Fluitje van een cent”.
“Zo. Is dat zo”, vraagt de ekster nét iets te langzaam. In zijn ijver om een goede leerling te zijn, heeft de duif niet door dat de ekster behoorlijk in zijn wiek geschoten is.  “Appeltje eitje, zeg  je? Fluitje van een cent? Hm?”
“Ja hoor,” zegt de duif opgewekt. “Kind kan de was doen”.
“Oké. Goed”, zegt de ekster afgemeten.  “Dan zijn we dus klaar. De les is afgelopen. En dan wil ik nu graag je rode koe”.
De duif is gelijk nuchter. “Eh. Ja… Eh…”, stottert hij.

Er zit niets anders op. De duif haalt zijn rode koe en geeft hem aan de ekster als beloning voor de cursus nestbouw. Daarna gaat hij naar zijn eigen boom om zelf een nest te bouwen. Hij moet beginnen met een vork tussen drie takken. Zoveel weet hij nog.  Of waren het er nou  twee? Voor de zekerheid zoekt hij maar een vork met drie takken. Stap twee. De duif zoekt een paar dikke takken en doet onhandige pogingen om ze in de vork te leggen. Maar wat hij ook probeert, de takken vallen steeds weer naar beneden. Na acht mislukte pogingen geeft hij het op. Droevig zit hij voor zich uit te kijken. Zijn nest is mislukt en zijn rode koe is hij kwijt. “Rode Koe…. Rode Koe….” roept hij zachtjes en verdrietig voor zich uit. En zo komt het dus. Zo komt het dat de duif nog steeds van die slordige nesten bouwt. En zo komt het dat hij nog steeds droevig roept om zijn rode koe”.


herkomst afbeelding: www.flickr.com, geraadpleegd 24 februari 2014.

maandag 24 november 2014

Deukalion & Pyrrha, ontploffende konijntjes en Turner.

De afgelopen dagen lees ik S. 's avonds voor uit 'De tocht van de Argonauten', een verzameling Griekse mythen, herteld door Simone Kramer.

Vanavond lezen we de mythe van Deukalion en Pyrrha. Kort samengevat komt het verhaal er op neer dat Zeus nogal teleurgesteld is in het gedrag van de mensen op aarde. Hij besluit alles op aarde uit te roeien door de boel onder water te zetten. Na afloop constateren S en ik dat het verhaal van Deukalion en Pyrrha wel héél erg lijkt op het verhaal van de zondvloed zoals dat in de Bijbel te vinden is. S vertelt geagiteerd dat ze dat een stom verhaal vindt: "Ja, en dan kom je van die boot, en dan sta je daar. Alles onder de bagger. En alles doodstil, natuurlijk. Want alles is dood...".
Peinzend over dit akelige beeld staren we een tijdje voor ons uit.

Trouwens, nu we het toch over de zondvloed hebben... Er is iets dat mij al een tijdje bezig houdt. "Wat gebeurt er eigenlijk als een walvis zomaar dood gaat. Zinkt 'ie dan naar de bodem?", vraag ik.

S. fronst. "Hoezo 'zomaar' dood?"
Ik: "Nou, stel je voor, een walvis krijgt spontaan een hartaanval of zoiets..." S. onderbreekt mijn verhaal met het geluid van een dramatisch stokkende adem. Het geluid van een walvis met een hartaanval, vermoed ik. "...en hij gaat dood", vervolg ik hardnekkig, "Zinkt 'ie dan naar de bodem? Ik bedoel, waar blijft zo'n groot walvissenlijk eigenlijk?" We denken allebei even na.

S overweegt hardop een paar mogelijke opties: "Zinken.... dat kan. Maar misschien gaat zo'n walvis  ook wel drijven. Of misschien wordt hij opgegeten door haaien. Of hij spoelt aan. Zo'n walvis spoelt toch ook wel eens aan?"
Ik:  "Oh jááá! Weet je nog dat we op Ameland zo'n filmpje zagen van een ontploffende walvis?"
S:  "Ieuw! Nee! Echt? Hoe kán dat?"
Ik:  "Nou, zo'n dooie walvis gaat van binnen rotten. Daarbij komen gassen vrij. Maar die kunnen er niet uit. Dus op een gegeven moment knapt zo'n walvis dan open. En dan flubberen die darmen er zo uit. Weet je dat niet meer? Van dat filmpje? In dat museum?"
S: "Ieuw! Nee! Nou bedankt hoor. Nou zie ik 't helemaal voor me. Net nu ik ga slapen. Lekker dan".
Ik: "Oh sorry, denk dan maar gauw aan iets anders. Eh... iets schattigs. Pluizige konijntjes of zo".

We vallen allebei stil. Om vervolgens, precies tegelijk, in lachen uit te barsten.
S., proestend: "Jij ziet nu óók ontploffende konijntjes voor je, hè?"
Ik: "Ja. Van die bolle ballonnetjes, met witte haartjes die recht overeind staan".
S: "En van die schele uitpuilende oogjes..."

En zo komen wij hier in huis dus binnen tien minuten via een Griekse mythe uit bij ontploffende konijntjes.

Gelukkig zijn er ook mensen die hun associaties bij het verhaal van de zondvloed beter op de rails weten te houden. Neem nou William Turner (1775-1851)

In 1843 exposeerde Turner een schilderij met de titel "Shade and Darkness - the evening of the Deluge". Het is een bijna abstract schilderij. Evengoed biedt het, zeker in combinatie met de titel, voldoende houvast voor interpretatie. De lichte kleuren in het midden lees je als licht dat weerspiegelt op water. De duidelijk zichtbare penseelstreken en halen en de grillige kleurvlakken op het doek wekken de suggestie van woeste beweging. De donkere boog met de zwarte stippen er onder lijkt op een immens hoge golf die op het punt staat over een zwerm vogels heen te slaan. En als je dat ziet, vermoed je in die donkere vlek in de onderste helft van het beeld de schaduw is van diezelfde golf die dreigend over het landschap valt. Dit is de allesverwoestende golf. Zoveel is wel duidelijk.

Het schilderij laat je voelen hoe nietig je als mens staat tegenover natuurgeweld. En dat was precies wat een Romantische schilder als Turner hoopte te bereiken: het benaderen van het 'sublieme'. Het ontzag voor het grootse en overweldigende van de natuur.

Een indrukwekkend schilderij. En nergens een spoor van ontploffende konijntjes. Daarvoor moet je dan weer bij ons zijn.



 afbeeldingen:
  1. Simone Kramer, De tocht van de Argonauten: verhalen uit de Griekse oudheid, Amsterdam 2008. Herkomst afbeelding: www.bol.com/nl/p/de-tocht-van-de-argonauten/1001004002518952/ (geraadpleegd 24/11/2014) .
  2. William Turner, Shade and Darkness - the Evening of the Deluge, 1843, olieverf op doek, 79 x 78 cm., Tate Gallery, London. Herkomst afbeelding: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:William_Turner_-_Shade_and_Darkness_-_the_Evening_of_the_Deluge.JPG (geraadpleegd 24/11/2014)

vrijdag 26 september 2014

Selfie van Parmigianino

Onlangs hadden ik het met S. over het fenomeen 'selfies' en over het feit dat je bij horen van dat woord gelijk denkt aan een smartphone. "Terwijl je met een fototoestel natuurlijk ook best een selfie kunt maken. Kijk maar", zei ik. "Alleen heb je in zo'n geval dus wel vooral je camera in beeld". Waarop S. mij meewarig aankeek en vervolgens fijntjes uitlegde dat ik de camera gewoon even om had moeten draaien. Met de lens naar me toe. Dan had ik in de spiegel namelijk het venstertje van mijn camera kunnen zien en zo kunnen controleren of ik een beetje goed in beeld stond. Ik keek haar glazig aan. "Kijk, zó..." Ze nam de camera van me over en maakte een foto van ons tweeën. Een twofie, zeg maar.

"Ik sta er raar op", zei ik, terwijl ik het resultaat van het experiment kritisch bekeek. S. keek heen en weer tussen het schermpje en mij. "Ik zie niets raars, hoor", zei ze geruststellend. "Zo zie jij er altijd uit". Juist. 
Die twofie heb ik lekker verwijderd. En mijn selfies maak ik voortaan als S. een heel eind uit de buurt is.

Het woord 'selfie' mag dan relatief nieuw zijn, het fenomeen zelfportret is dat natuurlijk niet. Het verschil tussen een selfie en een zelfportret is voornamelijk een kwestie van techniek. Tegenwoordig kan iedereen die een smartphone heeft in een mum van tijd een zelfportret maken. Maar vóórdat de fotografie gemeengoed werd had je, als je een selfie wilde maken waar je niet al te raar op stond, behoorlijk wat meer nodig. Talent, om maar iets te noemen. Een zekere vaardigheid in het schilderen, tekenen of graveren. Veel oefenen wilde ook nog wel eens helpen. Tijd had je ook nodig. Veel tijd. En een zeker zelfbewustzijn. Kortom: je moest er kunstenaar voor zijn. En je moest een spiegel hebben, natuurlijk.

De 21-jarige Italiaan Girolamo Francesco Maria Mazzola (1503-1540), beter bekend als Parmigianino, had het allemaal; het talent, de vaardigheid, het zelfbewustzijn, de tijd en de spiegel. Een bolle spiegel, in zijn geval. En precies dat maakt zijn zelfportret zo bijzonder. 

Iedereen die zichzelf wel eens weerspiegeld heeft gezien in een bol, glanzend voorwerp, herkent dit beeld. Als je een beetje in- en uitzoomt, lukt het je echt wel om je eigen hoofd een beetje fatsoenlijk in beeld te krijgen. Maar dat wat er om je heen te zien is, de rechte lijnen van ramen, muren of een plafond, wordt allemaal scheef en krom weerspiegeld in het bolle oppervlak. Voorwerpen op de voorgrond lijken juist extra groot. Dat laatste effect heeft Parmigianino bewust gebruikt om zijn eigen rechterhand, de hand waarmee hij zijn brood verdiende, prominent in beeld te brengen. Beetje ijdel, misschien. Maar je vergeeft het hem graag. Want geef toe, dit is een sterk staaltje schilderkunst.

Om de illusie van de bolle spiegel nog verder te versterken, heeft Parmigianino een rond paneel gebruikt. Als je de moeite zou nemen om het schilderij in het museum op te zoeken, zou je bovendien zien dat het paneel behalve rond ook bol is. De gouden lijst werkt ook mee. De lijst, het ronde en bolle paneel, de vervorming van het beeld....Het is net alsof je voor een 'echte' bolle spiegel staat. Alsof je over de schouder van de schilder meekijkt naar zijn spiegelbeeld. 

Die Parmigianino, die kon wat. En dat wilde hij de wereld laten weten, ook. Zoals wij onze meest geslaagde selfies op Facebook zetten in de hoop op een paar 'likes', zo stuurde Parmigianino zijn zelfportret daarom naar de paus. Want een 'like' of 'share' van de paus kon een kunstenaar mooie opdrachten opleveren. Het cadeau werd minzaam ontvangen, maar er werd niet op gereageerd. Of dat voor Parmigianino een reden is geweest om de paus te ontvrienden, vertelt het verhaal helaas niet.

afbeeldingen: 
  1. foto auteur
  2. Parmigianino (1503 – 1540), zelfportret in spiegel, 1524, olieverf op paneel, 24 cm doorsnee, Kunsthistorisches Museum, Wenen.